Ethische Perspectieven 24 (2014) 2

Euthanasie en menselijke waardigheid. De grenzen van de zelfbeschikking

Willem Lemmens


Deze bijdrage biedt een grondige reflectie op de filosofische achtergrond van het euthanasiedebat in BelgiŽ. GeÔnspireerd door Herman De Dijns analyse van het concept Ďmenselijke waardigheidí wordt een kritiek ontwikkeld van een welbepaalde invulling van menselijke waardigheid in termen van Ďlevenskwaliteití: deze invulling beheerst overduidelijk het pleidooi voor de in 2002 doorgevoerde depenalisering van euthanasie door de Belgische wetgever.

Zoals De Dijn eerder verdedigde, is dit concept van menselijke waardigheid schatplichtig aan een utilitaristisch en hedonistisch denkkader: hiertegenover staat er een meer klassiek concept van menselijke waardigheid als Ďonvervreemdbare statusí. Gesteund door het relativistisch concept van menselijke waardigheid geeft de Belgische euthanasiewet vrijwel een exclusief gewicht aan het recht op zelfbeschikking bij een eventuele euthanasiewens van de patiŽnt. Dit artikel bepleit dat dit een radicale transformatie van de arts-patiŽnt relatie tot stand brengt, die de ethische kwaliteit van de medische zorg ernstig bedreigt. Paradoxaal genoeg geeft de euthanasiewet immers in naam van de zelfbeschikking een zeer grote macht aan de arts die uiteindelijk oordeelt over de legitimiteit van de euthanasievraag. De zorg om het levenseinde wordt zo steeds meer gejuridiseerd en het voorwerp van een procedurele regulering.

Door het centraal stellen van een verarmd, abstract ideaal van zelfbeschikking dreigt de klassieke grondslag van de Hippocratische geneeskunde, waar onvoorwaardelijke zorg centraal moet staan, ondermijnd te worden. Dit artikel roept op, in navolging van De Dijn, tot weerstand tegen de huidige euthanasiewet en de praktijk van actieve levensbeŽindiging die ze in het leven heeft geroepen. De nood tot schroom en terughoudendheid als essentieel onderdeel van een echte ars moriendi wordt bepleit. Tevens wordt benadrukt dat het afscheid van het leven wezenlijk een relationeel gebeuren is en onmogelijk valt te herleiden tot een procedurele transactie tussen patiŽnt en arts.

 Pagina : 131 - 156

Naar  Ethische Perspectieven 2/2014